De begrafenis

autumnMijn kinderen zijn nog klein, we wonen op het platteland in Noorwegen en we zijn goed bevriend met Jacques en Sigrun. Deze hebben na hun pensioen een oude boerderij gekocht om op te knappen, een oude droom van ze. Het is de grootste boerderij in de omgeving, hij staat op een heuvel en kijkt uit over het dorp. We gaan er vaak heen om te helpen klussen. Er hangt de geur van verse koffie en brood, iedereen is welkom en er heerst altijd grote bedrijvigheid. De kinderen zijn dol op Jacques, net als iedereen in het dorp trouwens. Ze hangen aan zijn armen terwijl hij met grote stappen over het erf loopt, ze springen op zijn schouders en gillen van pret als hij ze lachend in de lucht gooit. 

Op een winterse dag krijgt Jacques een ongeluk: hij glijdt met zijn auto van de spiegelgladde weg af en botst op een tegenligger. Hij is nog bij bewustzijn als ze hem vinden, maar het stuur zit in zijn buik en komt er aan de andere kant weer uit. Na een week op intensive care overlijdt hij. Niemand kan het geloven.
‘Hoe kan dat? Hij had nog zoveel plannen’, zeggen ze.
Zijn vrouw besluit haar man thuis drie dagen op te baren, zodat iedereen in het dorp afscheid kan nemen.

Als ik met mijn kinderen aankom is het huis zo vol dat het lijkt alsof alle 500 bewoners van het dorp ervoor gekozen hebben om tegelijkertijd te komen. Sigrun heeft gevraagd of iedereen wat te eten en te drinken mee wil nemen. Ik heb een salade bij me en zet deze binnen op tafel, bij het andere eten. Ik heb nog nooit zoveel lekkers en zelfgemaakt eten bij elkaar gezien, er staan vijf tafels achter elkaar opgesteld om ruimte te bieden aan alles. Er hangt een gemengde sfeer van gezelligheid en intense droefheid. Sigrun gedraagt zich als een waardige weduwe en gastvrouw en heet iedereen welkom, zoals altijd. ‘Eet en drink, mensen’, roept ze. ‘Jacques heeft altijd gezegd dat hij met een groot feest wil vertrekken!’ 

Jacques ligt opgebaard in een aparte kamer. Om de beurt mogen we naar binnen om afscheid te nemen. Een tiental mensen zit zwijgend te wachten bij de deur. Uiteindelijk zijn wij aan de beurt. Mijn zoon van vier houdt mijn ene arm vast, op mijn andere arm draag ik mijn dochtertje van twee. Ze hebben nog nooit eerder een dode gezien en ze hebben zwijgend toegekeken terwijl de één na de ander huilend uit de kamer kwam en in de armen van een wachtende kennis viel, dus ze vinden het eng. Ik ook. Het is doodstil in de kamer. De kamer staat vol bloemen. Jacques ligt in een witte kist. Als ik hem zie slaat mijn hart een slag over. Ik herken hem bijna niet, en toch weet ik dat hij het is. Het lijkt alsof hij in een paar weken dertig jaar ouder is geworden.

Mijn zoon trekt zachtjes aan mijn mouw.
‘Mamma, waar is Jacques?’, zegt hij zachtjes. ‘We zouden toch op bezoek gaan bij Jacques?’ 
‘Daar ligt hij, schatje’, zeg ik. ‘Kun je hem niet zien? Moet ik je optillen?’
‘Ik kan het wel zien’, fluistert hij op dringende toon, ‘maar mamma, dat is Jacques niet!’
Ik realiseer me dat hij gelijk heeft en zeg: ‘Dat klopt schat, dat is alleen Jacques’ lichaam. Jacques is dood. Hij is zo ver weg dat we niet meer bij hem op bezoek kunnen.’
Mijn zoon valt stil. Dikke tranen biggelen over zijn wangen.

Ondertussen begint mijn dochter zich te vervelen op mijn arm. Nieuwsgierig buigt ze zich voorover en steekt haar handje uit, in een poging Jacques aan te raken. Onwillekeurig doe ik een stap naar achteren zodat ze er niet bij kan, maar als ze protesteert en het nog een keer probeert laat ik haar begaan. Ik ga heel dicht bij de kist staan en laat haar Jacques gezicht aanraken. Ze doet het, maar trekt dan onmiddellijk haar handje terug. Ze kijkt me verschrikt aan. ‘Koud!’, zegt ze.
Ik raak ook zijn gezicht aan – het is inderdaad ijskoud. Jacques is echt weg.

Mijn dochter wordt onrustig – ze heeft net tafels vol taart gezien. Ze heeft honger! We lopen de kamer uit, andere mensen lopen naar binnen. Ik geef haar een groot stuk chocoladetaart, die ze stralend in ontvangst neemt. Sigrun komt naar ons toe en vraagt:
‘Hoe gaat het met jullie?’
Ik probeer om niet te gaan huilen, zoals de rest van het dorp – hoe kan zij in haar eentje al die mensen troosten, terwijl het voor haar het ergste is? Ik kan geen woord uitbrengen.
‘Lekker!’, zegt mijn dochter, met haar mond vol taart. Sigrun lacht. Mijn zoon kijkt haar ernstig aan en zegt: ‘Jacques is weg.’
‘Ja’, zegt Sigrun.
‘Hij komt niet meer terug’, vervolgt mijn zoon, ‘maar dat doet hij niet expres hoor.’
‘Dat weet ik’, zegt Sigrun, ‘en ik vind het goed. En weet je wat? Nu kan ik toch gouden kranen in de badkamer doen, want dat vond Jacques niet mooi!’ 
Ik zie hoe zijn gezicht opklaart nu hij merkt dat Sigrun er vrede mee heeft. Hij haalt opgelucht adem, kijkt haar stralend aan en zegt: ‘Maar ik kom toch nog wel bij jou spelen hoor, dan ben je niet zo alleen.’ 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s