Jaggi

Visie op Seks - Hoofdstuk 8Ik ontmoette hem toen ik 18 was. Ik was nieuw in de stad, ik was net van de theaterschool afgegooid en ik zocht een baantje. En dat baantje kreeg ik bij hem. Twee baantjes zelfs: winkeljuffrouw in zijn esoterische winkel en serveerster in zijn Indiase restaurant.

Jaggi was een sikh uit India. Mijn eerste en enige baas. In de sixties reisde hij rond in Europa en verdiende zijn brood met handlezen. Langzaam veranderde hij in een hippie, in een wereldburger, maar hij hield zijn tulband op.
‘Dat was goed voor de zaken. En voor de vrouwen’, lachte hij. In Nederland trouwde hij met zijn grote liefde en opende hij het eerste Indiase restaurant van de stad, Ajanta. 

‘De Lachende Boeddha’ noemden sommige mensen hem. Hij was klein en rond en hij lachte altijd. Hij maakte dat je je geliefd voelde. Hij werkte keihard en tegelijkertijd had hij alle tijd voor je. Ik weet nog steeds niet hoe hij dat deed. Ik denk dat hij niet sliep. Hij onderhield niet alleen zijn eigen gezin, maar stuurde ook geld naar zijn broers en zussen in India.
‘Ze hebben het nodig’, zei hij simpelweg. ‘En ik heb het geluk dat ik het ze kan geven.’

Mensen bloeiden op rondom hem. Zo had je Tommie, het achterbuurtkind dat in de winkel rondhing tot Jaggi hem op een dag een dikke envelop met geld gaf en zei:
‘Hé Tommie, kun jij even dit geld naar de bank brengen? Pas op dat niemand het steelt hè?’
Perplex deed Tommie wat hem gevraagd werd, en was vanaf dat moment niet meer weg te slaan.
Zo was er Mira, het meisje uit Rajasthan. Ze was danseres en tijdens een optreden in Nederland uit de schouwburg gevlucht. Via via was ze bij Jaggi terechtgekomen, en sindsdien woonde ze bij hem, zijn vrouw en zijn kinderen.
‘We zijn allemaal familie’, zei Jaggi vaak. ‘Pas als iedereen gelukkig is ben ik het ook.’

Toen ik naar het buitenland verhuisde verloor ik hem een beetje uit het oog. Toen ik tien jaar later gescheiden en berooid terugkeerde naar Nederland had zijn vrouw hem verlaten, was zijn baard wit en had hij zijn restaurant moeten sluiten door nieuwe bepalingen van de gemeente.
‘Nieuwe tijden, nieuwe kansen’, zei hij lachend.
‘Maar de winkel draait nog steeds goed!

Hij stond erop dat ik bij hem zou komen wonen tot ik iets voor mezelf had gevonden. Ik kon nergens anders terecht en nam zijn aanbod graag aan, en dat wist hij.
‘Kom kijken!’, zei hij stralend en liet me het kamertje zien dat hij speciaal voor mij had laten maken op de gang, op de tweede verdieping van zijn huis.
‘Dat heeft Rajendra gemaakt’, zei hij. Rajendra was een vluchteling uit Nepal die hij onder zijn hoede had genomen.
‘Is het niet prachtig?’
Het was prachtig. Ik wist niet wat ik moest zeggen en kreeg tranen in mijn ogen.
‘Niet huilen lieverd’, zei hij. ‘Dit heb je verdiend.’
Ik had geen idee waaraan. Maar zo was Jaggi.

In de daaropvolgende maanden leerde ik hem pas echt goed kennen. Met betraande ogen namen we afscheid toen ik een huis voor mezelf gevonden had, maar de vriendschap was vereeuwigd. 

Onze kinderen waren ongeveer even oud, en we brachten meerdere zomers door in Zuid Frankrijk. Vaak nam hij ook nog een paar vriendjes van de kinderen mee. Ik ging zwemmen met alle kinderen, hij ging een trap metselen van natuursteen, of een gat graven voor de septictank. Als we verbrand en rumoerig thuiskwamen met tassen vol eten en drinken ging hij voor ons koken, terwijl alle kinderen door elkaar riepen om hem te vertellen wat ze die dag gedaan hadden.

Later werden de kinderen zo groot dat ze niet meer naar Zuid Frankrijk wilden, en vertelde Jaggi dat hij eigenlijk zelf ook niet meer weg kon.
‘Het gaat niet zo goed met de zaken’, zei hij. ‘Maar dat is maar tijdelijk lieverd, dus maak je geen zorgen.’

Ik had het zo druk met mijn eigen leven dat ik me ook inderdaad geen zorgen maakte. Af en toe ging ik op bezoek en hadden we een avond als vanouds, maar we zagen elkaar toch steeds minder. Wel viel me op een zeker moment op dat hij afgevallen was.

‘Gaat het wel goed met je, Jaggi?’, vroeg ik.
‘Natuurlijk lieverd’, zei hij. ‘Het gaat altijd goed met mij.’
Ik masseerde zijn benen en schrok van hoe mager ze waren.
‘Hoe kan dit, Jaggi?’, vroeg ik. ‘Eet je wel genoeg?’ 
‘Natuurlijk schat’, zei hij. ‘Komt van de suikerziekte, dat is heel normaal. En ik ben gewoon een beetje moe. Maak je geen zorgen.’
Ik liet me geruststellen en vergat het.

Twee maanden later werd ik gebeld door een goede vriend.
‘Jaggi is dood’, zei hij. ‘Een hartaanval.’
Pas later begrepen we, al zijn vrienden, dat hij al jaren heel ziek geweest was, maar dat we de signalen niet hadden opgevangen. 
‘Niks aan de hand’, zei hij altijd, en we geloofden hem maar al te graag.

Ik had zo’n spijt dat ik hem niet mee had gesleept naar de dokter toen ik zag hoe mager zijn benen waren. Dat ik niet eens een poging had gedaan. Ik kon mezelf wel voor mijn kop slaan. Maar toen zag ik Jaggi voor me, zijn glimlach, en hij fluisterde me toe:
‘Het had geen verschil gemaakt, lieverd’.
Toen begreep ik dat hij zelfs de dood geen probleem vond.

Het is nu drie en een half jaar later. Nog steeds vergeet ik soms dat hij er niet meer is. Als ik langs de Oudegracht fiets waar het restaurant en de winkel waren, ruikt het nog steeds hetzelfde als toen. Alsof iets van hem daar nog steeds aanwezig is. Dat maakt me blij.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s