Ode aan mijn Oma

Toen ze 21 was trouwde mijn oma met mijn opa. Drie dagen na de bruiloft zaten ze op de boot naar Nederlands Indië. Mijn oma volgde haar man als hij als toezichthouder weer overgeplaatst werd naar een nieuw gebied, en reisde van Sumatra naar Java naar Bali. Ze kreeg vier kinderen, waarvan één bezweek aan de tropische hitte. Toen mijn vader, hun jongste kind, net geboren was, brak de oorlog uit. De Jappen bezetten Indonesië. Opa werd afgevoerd naar Denpasar.

‘Het is maar voor drie maanden’, zei hij bij het afscheid. Het zou drie en een half jaar worden.’ Mijn oma kwam met haar drie kinderen in één van de vele Jappenkampen terecht. Acht maanden zaten ze in Malang: ‘Duizenden vrouwen in een met prikkeldraad afgezetten wijk’. Anderhalf jaar werden ze overgebracht naar Solo (Surakarta): ‘Twee dagen in de trein. Met vrachtauto’s naar een leeg ziekenhuis. 60 cm per persoon. Eeuwig gekrijs. Teilen met 110 liter ‘pap’: stijfsel met maden. Een half kopje per persoon.’

Een paar jaar voor ze stierf tekende mijn oma haar levensverhaal op in het boekje: ‘Herinneringen uit mijn leven’. Daaruit citeer ik. In het voorwoord staat:  ‘Op verzoek van mijn kinderen zal ik hier over mijn leven vertellen. Tot mijn verrassing vonden zij dat belangrijk voor het nageslacht.’

Ik was als kind altijd een beetje bang voor mijn oma. Ze was heel streng en heel mager. ‘Twee ogen op een breinaald’, schrijft ze zelf ergens, en over de bevrijding: ‘Als je dat gezien had! Alle vrouwen en kinderen stortten zich jubelend op hen (de ghurka’s: de Brits Indische bevrijders), maar de mannen schrokken zo ontzettend dat ze in een minuut verdwenen waren, overal in en achter verborgen. Het moet ook een vreselijke aanblik geweest zijn, al die krijsende skeletten.’  Ze bleef de rest van haar leven malaria houden, en broodmager. Pas toen ik volwassen was en haar boek las, veranderden mijn gevoelens ten opzichte van haar.

‘De behandeling was onbeschrijfelijk. We moesten allemaal dood vóór de oorlog afgelopen was, zei de Jap, zodat we er allemaal uitzagen als een gedroogd visje. Nu, dat waren we wel bijna. Maar we dachten: ‘O ja, dat zou je wel willen’, en dat gaf ons weer uit woede geboren geestkracht. We werkten alles tegen, behalve het eten maken natuurlijk. Alles moesten we zelf doen: tuinen bewerken en bemesten, met de inhoud van beerputten die we zelf leegden. We plantten groenten en tegen de tijd dat het wat werd moesten we ze onderspitten. We moesten loopgraven graven en bomen omhakken, waarom wist niemand. Als er een vrachtauto binnenkwam met rijst of maïs, dan vlogen we erheen. De Jappen gooiden de zakken – elk veertig kilo zwaar – op onze ruggen (we wogen zelf niet eens zoveel) of in de modder. Halverwege het lossen reden ze brullend weer weg.

Ze brulden altijd. We moesten buigen voor elke Jap die langskwam en wee je gebeente als je hem niet zag. ’s Nachts hadden we om beurten wachtdienst. De Jap besloop ons dan en brulde. Wij sprongen in de houding en brulden net zo hard: ‘Dai ni han comino fudsjiban foekoe moedjoe idjoe arimasen!’ Dat betekent: ‘Ik ben de nachtwacht van blok 23. Ik meld U dat alles in orde is.’
Ik stak een hoofd boven hen uit. Ik ging vlak voor de Jap staan en spoog hem al brullend zoveel mogelijk in zijn gezicht. Gun me die kleine voldoening.’

Augustus 1945 werd Java door de Jappen bevrijd. Pas een maand later kwamen de ghurka’s de overlevenden halen. In konvooi reden ze naar de haven in Semarang om naar Batavia gebracht te worden, waar het inmiddels veilig was, om te wachten op transport naar Nederland. Eenmaal aangekomen in Semarang kregen ze te horen dat er geen plaats meer was op de boot naar Batavia, en dat ze terug moesten, landinwaarts, om in Bandung in een vluchtelingenkamp te wachten op een volgende mogelijkheid om te vertrekken.
‘Terug naar de hel?, dacht ze. ‘Dat nooit.’
In de verder lege vertrekhal stond als enig meubel een piano. Met haar drie kinderen verstopte ze zich daarachter en wachtte muisstil tot iedereen weg was. Vervolgens ging ze op pad. Ze kreeg een lift van een Hollandse militair die haar en haar kinderen per jeep naar Batavia bracht. ‘Java stond in brand’, schrijft ze. Ze wilde naar Celebes, want ze had gehoord dat daar de mannen heengebracht waren.

Ze liftte naar het vliegveld, waar het wemelde van de Nederlandse en Engelse soldaten, en kreeg het voor elkaar om met een militair konvooi een lift per vliegtuig naar Borneo te regelen. Dat was in ieder geval al dichter bij Celebes. Daar werd ze als enige vrouw, met haar drie kinderen, door honderden militairen verwelkomd en toegejuicht. Ze waren het symbool van de bevrijding!
Voor het eerst in drie jaar kregen ze volop te eten, en kon ze douchen met warm water en zeep. Later kreeg ze een vlieglift naar Celebes. Daar werden ze uiteindelijk herenigd met opa. Het hele gezin had het overleefd.

‘Het weerzien was niet uitbundig. Je denkt dat je elkaar snikkend om de hals zult vallen, maar daarvoor was er teveel gebeurd. Je was helemaal murw en zo vervreemd dat je niet wist waar je moest beginnen te vertellen. Naast de steiger lag een bootje waar een Jap in stond. Van zijn uniform waren de epauletten en knopen afgesneden. Hij wachtte op zijn beurt op vervoer naar een interneringskamp. Zijn blik was vol haat en ik verstijfde toen ik hem zag. Hier was mijn kans om wraak te nemen; naar hem te wijzen en hard te lachen, om zijn gezichtsverlies volkomen te worden. Beledigd te worden door een blanke, nietswaardige vrouw is onverteerbaar; ze is immers niet meer dan een stuk stinkende kaas dat je zo gauw mogelijk onder de grond stopte. Maar ik kon het niet, en liep weg.’

Mijn oma is een heldin.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s