Vliegeren met Lobsang

kite3

Stel je voor dat doodgaan in werkelijkheid heel gemakkelijk is. Stel je voor dat je niet verdwijnt, maar alleen bevrijd wordt van je angst, je lichaam en je beperkte bewustzijn. Stel je voor dat doodgaan net zo voelt als half vier ’s middags, toen je nog kind was en verplicht de hele dag in de schoolbanken moest doorbrengen. Dat moment dat de school uit ging. Vrij! Eindelijk vrij!

Stel je voor dat dat zo is. Wat zou het dan ironisch zijn dat wij zo bang zijn voor de dood dat we werkelijk alles doen om onze oudjes en zieken in leven te houden. Ongeacht hun levenskwaliteit, ook al gaat het ten koste van hun laatste restje waardigheid, we weigeren ze te laten gaan. Als familieleden of verzorgers gehoor geven aan het verlangen van hun dierbaren afscheid te nemen van het leven worden ze beschuldigd van moord. Terwijl je je af kunt vragen wat wreder is: iemand tegen zijn zin in leven houden terwijl het lijden onmenselijk is, of iemand in liefde laten gaan.

In Tibet denken ze heel anders over de dood. Het geloof in reïncarnatie is daar even vanzelfsprekend als bij ons de angst dat er niks is na de dood. Als je tegen een Tibetaan zegt: ‘Reïncarnatie bestaat niet’ zal hij je niet-begrijpend aankijken en aan iemand anders vragen:
‘Snap jij waar hij het over heeft?’

Lobsang Rampa schrijft ergens:
‘Het is maar goed dat niet iedereen weet hoe gemakkelijk het is om dood te gaan.’ 
Hij doelt daarbij op de heilige plicht van ieder mens om zolang je leeft je uiterste best te doen het beste ervan te maken. Ik ben het daar hartgrondig mee eens, maar ik vind het toch een intrigerende gedachte dat het makkelijk is om dood te gaan. Een geruststellende gedachte ook. Maakt het wellicht ook gemakkelijker om mijn dierbaren te laten gaan en ze gerust te stellen tegen de tijd dat ze daar behoefte aan hebben. Ik denk dat ik het zelf ook fijner vindt als mensen wanneer ik op sterven lig tegen me zullen zeggen:
‘Ga maar, je gaat ergens heen waar het goed is’, dan dat ze aan mijn sterfbed gaan zitten wanhopen en huilen.

Al in 1959 schreef Lobsang Rampa zijn eerste boek over zijn leven in Tibet. Hij was één van de eerste schrijvers die een tip van de sluier oplichtte over dit lang voor de buitenwereld afgesloten land in de Himalayas. Alleen Alexandra David Neél was eerder. Zij schreef al in 1927 haar boek: ‘My journey to Lhasa’ over haar ervaringen als eerste blanke vrouw door Tibet te trekken. Ze was een Parijse dame van adel met een onhoudbare drang naar avontuur.

Maar terug naar Lobsang. In totaal schreef hij negentien boeken over zijn jeugd, zijn opleiding tot boeddhistisch lama, ziener en genezer, en ook over zijn latere omzwervingen, waarbij hij uiteindelijk in Engeland terecht kwam.

Ter illustratie van bovenstaande dit verhaal uit zijn eerste boek: ‘The Third Eye’, over zijn eerste ervaring met de ‘man-lifting kites’: vliegers die zo groot waren dat ze een volwassen man honderden meters mee omhoog konden nemen.

‘De derde monnik die aan de beurt was was nogal ‘cocksure’: hij was niet erg populair omdat hij voortdurend aan het opscheppen was. Hij had al drie jaar ervaring met de ‘man-lifting kites’ en hij beschouwde zichzelf als de beste vlieger aller tijden.

Daar ging hij, zo’n 150 meter de lucht in. Maar inplaats van dat hij zich goed vasthield aan het touw strekte hij zich in zijn volle lengte uit en probeerde hij om ín de vlieger te klimmen, die eruit zag als een soort doos met vleugels. Maar hij gleed uit met een voet en viel. Met een hand lukte het hem de staart van de vlieger te pakken. We zagen hoe hij een paar seconden daar hing aan een hand, terwijl hij met zijn andere hand tevergeefs in de lucht wapperde in een poging zich met twee handen vast te grijpen. Toen wiebelde de vlieger en viel hij in het ravijn. Hij tolde om zijn eigen as, zijn rode jurk om hem heen fladderend als een bloedrode vlag, en stortte uiteindelijk 1500 meter lager op de rotsen.

Dit gebeuren vertraagde de activiteiten een beetje, maar niet genoeg om te stoppen. We haalden de vlieger binnen en onderzochten hem om te kijken of hij beschadigd was, en toen ging ik voor de vierde keer de lucht in! Ik was extra voorzichtig. Onder me zag ik een paar monnikken behoedzaam het ravijn afdalen om de uiteengespatte rode pulp van het lichaam te verzamelen.

… Het geroffel van de drums wekte ons voor de nachtdienst. Hier in de tempel, met de flikkerende boterlampjes en de heilige beelden die oplichtten in de rook van de wierook, was het moeilijk om aan de monnik te denken die uit zijn huidige leven was gevallen. Had hij maar niet zo moeten opscheppen.
… Uiteindelijk startte de ceremonie voor de dode monnik. De leider verrees van zijn troon en reciteerde een stuk uit het Tibetaanse Dodenboek.

‘Oh! Dolende geest van de monnik Kumphel-la, die vandaag uit zijn leven op deze aarde is gevallen. Blijf niet onder ons, want je hebt vandaag afscheid van ons genomen.
Oh! Dolende geest van de monnik Kumphel-la, wij steken deze wierook aan, zodat je instructies op je pad mag ontvangen op je reis door het Verloren Land op weg naar de Grotere Werkelijkheid. …
Oh! Dolende geest, je ziet onze gezichten niet, je ruikt onze wierook niet, want je bent dood.
Kom! Zodat je hulp zult ontvangen op je reis.
Wees niet bang, maar leg je naakte geest neer. Ontvang onze lessen, zodat je vrij zult worden. Er is geen dood, dolende geest, maar alleen oneindig leven. Dood is geboorte, en wij roepen je op om je te bevrijden, zodat je een volgend leven in kunt stappen.’  

Toen mijn vriend Jaggi onverwacht overleed ging ik een week later naar zijn huis om te helpen opruimen. Naast zijn bed vond ik ‘Het Tibetaanse Boek van Leven en Sterven’ van Sogyal Rinpoche. Ergens gaf me dat troost. Dan was hij toch niet geheel onvoorbereid gestorven. Ik nam het mee naar huis als aandenken.

Ik hou zelf erg van de taoïstische kijk op leven en dood. Taoïsten gaan uit van de opvatting dat het aantal menselijke zielen vele malen groter is dan het aantal menselijke lichamen. Als het je als ziel lukt om te incarneren in een lichaam en een leven op aarde mee te maken heb je dan ook echt een lot uit de loterij gewonnen. In de hemel, of de bardo’s, of de tussenwerelden zitten dan echt een paar duizend zielen met de armen over elkaar te balen dat het jou gelukt is en hun nog niet.

Binnen het taoïsme is reïncarnatie ook een vanzelfsprekendheid, maar bij het boeddhisme en hindoeïsme zie je nog weleens dat deze gedachte tot een hoge mate van relativering en passiviteit leidt – er komt altijd wel weer een nieuw leven, toch? Bij de Tao wordt er uiterst zorgvuldig omgesprongen met dit leven en dit lichaam. Je weet namelijk nooit wanneer het een volgende keer gaat lukken! Daarom wordt binnen de Tao, veel meer dan bij het hindoeïsme en het boeddhisme, veel aandacht besteed aan het bereiken van een hoge leeftijd en het handhaven van een optimale gezondheid. Een taoïst wil op haar 120e nog met verende tred door de bergen lopen, grappen maken met de kleinkinderen en flirten met de mannen.

Ik ben eigenlijk alleen in het taoïsme dit diepe respect voor het lichaam tegengekomen. Inmiddels ben ik er ook achter waarom dat zo is. Binnen de Tao gaat men er vanuit dat een leven op aarde een buitenkans is voor de ziel om bewustzijn te vergaren. Volgens de Tao is dat het ultieme doel van de ziel: bewustzijn vergaren, en ze zien het fysieke lichaam als een hoogontwikkeld instrument om dat proces van bewustzijn vergaren te versnellen, nee, te accelereren tot een snelheid die niet te vergelijken is met welke andere levensvorm dan ook.

Het dynamo van dit accelerende vermogen van het lichaam om bewustzijn te vergaren is volgens de Tao seksuele energie. De eierstokken en testikels worden gezien als pompen die voortdurend levenskracht opnemen en in het fysieke lichaam brengen, waarbij het om te beginnen het lichaam in leven houdt, maar daarnaast ook energie kan leveren voor het felbegeerde proces van bewustzijnsontwikkeling.

Je zou de Tao Training dan ook kunnen omschrijven als:
‘De gebruiksaanwijzing om het vermogen van het lichaam om via seksuele energie het proces van bewustzijn vergaren te accelereren te leren hanteren, beheren, controleren en vergroten.’

Kortom: ik wil nog lang niet dood!

_____________________________________________________________________

 “The Third Eye” – Lobsang Rampa. Uitgeverij: Corgi Books
1e druk: 1956
Verkrijgbaar via www.abcbooks.com
www.lobsangrampa.org
www.lobsangrampa.net

‘Een vrouw trekt door Tibet’ (‘My journey to Lhasa’) – Alexandra David Néel
1e druk: 1927

“Het Tibetaanse boek van Leven en Sterven” – Sogyal Rinpoche
Uitgeverij Servire
1e druk: 1994

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s