Zinloos lijden

Een buurmeisje van een vriendin van me is onlangs opgenomen in het ziekenhuis, nadat ze van de trap gevallen was. Tenminste, dat zei haar moeder, die alcoholiste is. Na onderzoek in het ziekenhuis bleek uit de verwondingen dat ze niet alleen herhaaldelijk geslagen was, maar ook categorisch seksueel misbruikt. De vader van het meisje zit nu in de gevangenis, de moeder in een inrichting en het meisje gaat binnenkort naar een opvanghuis.

We zijn er even stil van, mijn vriendin en ik. We zien elkaar niet zo vaak, maar vandaag zijn we weer eens een dagje winkelen. We zitten net ergens koffie te drinken. Dan zegt mijn vriendin:
‘Wat een karma hè? Wat moet zo’n meisje wel niet uitgevreten hebben in een vorig leven, om zoiets te verdienen.’
Het dringt niet meteen tot me door wat ze zegt, dus ik kijk haar niet begrijpend aan. Ze vat dat op als een aanmoediging en vervolgt monter:
‘Nou ja, het zal wel ergens goed voor zijn, toch? Het zal zeker een waardevolle leerervaring voor haar zijn. Want zonder lijden geen bewustzijnsontwikkeling, toch?’

Dat woordje ‘toch’. Iedere keer als ze het zegt voel ik me onvrijwillig medeplichtig gemaakt aan de wrede onzin die ze uitkraamt. Alsof ik gedwongen word op een stuk citroen te bijten. Ze praat haar meditatieleraar na, weet ik. Sinds een jaar of wat mediteert ze bij een boeddhistische leraar die alles weet over karma, lijden en de zin van het leven. Ze wordt langzaam maar zeker onuitstaanbaar, maar ze heeft het absoluut niet door. Ze denkt dat ze juist heel spiritueel bezig is. Nu weet ik weer waarom we elkaar nauwelijks nog zien.

Ik blijf zwijgen. Ik bijt op mijn tong. Ik wil deze discussie niet aangaan. Ik wil naar huis. Mijn vriendin bestelt nog een capuccino. Vaag vangt ze iets op van mijn veranderde stemming en verandert vlot van onderwerp.

‘Gezellig hè, zo’n middagje uit’, zegt ze. ‘Lekker bijkletsen.’
‘Mmmm’, zeg ik. Ze heeft echt geen idee.
‘O, en weet je wat? Fred en ik gaan het nog een keer proberen!’
‘Wat?’, vraag ik. Ik weet het antwoord al. Nee hè..
‘Wat denk je zelf?’, zegt ze stralend. ‘Een kind! Ons eigen kleine troetelproetelschatje!’
Zij en Fred kennen elkaar pas twee jaar. Na twee maanden gingen ze er al voor. 
‘Ja, de klok tikt hè’, zei ze toen veelbetekenend, alsof dat alles verklaarde.
Ze hebben alles al geprobeerd, maar omdat zij zware medicijnen slikt tegen de ziekte van Crohn, hij een genetische afwijking en inactief zaad heeft, hun bloed niet matcht en ze allebei boven de 40 zijn wil het niet echt lukken.
‘De dokter zegt dat hij een nieuwe hormoonkuur aanbeveelt, één voor Fred en één voor mij, ja, natuurlijk wel verschillende kuren hè, haha, stel je voor, straks krijgt Fred nog borsten, haha, plus een halvering van mijn medicijnen, en dat het dan misschien wel gaat lukken. Ja, er is wel een verhoogd risico op ernstige afwijkingen bij de baby, maar Raj zegt dat ik vertrouwen moet hebben. Wij mensenkinderen zijn als een druppel in de oceaan. We bewegen mee met de golven van het leven. Op en neer, op en neer. Haha.’

Ze kijkt me verwachtingsvol aan. Maakte ze nou een schunnige grap? Zoveel stupiditeit verdraag ik niet.
‘Als je vertrouwen zou hebben zou je niet alles proberen om zwanger te worden’, zeg ik scherp. ‘Dan zou je accepteren dat het niet lukt en het risico niet nemen om een mismaakt kind op de wereld te zetten.’
Ze kijkt me verbluft aan. Zo kijkt ze altijd als iets niet past binnen haar werkelijkheidsbeeld. Via haar ogen zie ik de trage bewegingen van haar hersenen, die hun uiterste best doen hier een plausibel weerwoord op te geven. Het kraakt. Ik ben haar voor.
‘Denk je nou echt dat het lijden dat jij bereid bent je kind aan te doen, notabene nog voor het geboren is, op enigerlei wijze zinvol zou zijn? Of dat de mishandeling van je buurmeisje zinvol is? Denk eens na! Neem verdomme eens verantwoordelijkheid voor je leven inplaats van al het zinloze lijden op deze wereld te vergoeilijken met je walgelijke zoetsappige spirituele goedpraterij!’

Nu is ze echt geschokt. Iets knettert achter haar ogen. Kortsluiting.
‘Goed zo’, denk ik. ‘Ik hoop dat je erin blijft. De wereld is beter af zonder mensen zoals jij.’
Maar ik zwijg. Het is wel genoeg zo. Ik sta bruusk op, pak mijn tas en vertrek. Mensen aan de omringende tafeltjes kijken me nieuwsgierig na.

Voor mij is de vriendschap definitief voorbij, maar na een paar maanden krijg ik een kaart van haar. Het is een kaart van een boeddha, behangen met lotussen, met kleine vogeltjes die boven zijn hoofd fladderen. Ik word zelfs zonder de kaart te lezen al licht onpasselijk. Ik vouw de kaart open en lees:

‘Beste Sanne,
ik heb het er met Raj over gehad en hij zegt dat je er niets aan kunt doen.
Niet alle mensen begrijpen wat ware compassie is.
Wij hebben nou eenmaal niet allemaal hetzelfde bewustzijnsniveau.
De één is wat verder dan de ander, zegt hij. 
Dus ik vergeef je.
O, en ik heb goed nieuws.
Ik ben zwanger!
Joepie!’

Teleurgesteld gooi ik de kaart in de prullenbak. Waarom nemen ze het buurmeisje niet in huis?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s