Olé

Ik ben in Bembibre, een stadje in de bergen van Noord Spanje. Vanaf hier weet ik het niet meer. Ik heb net mijn auto geparkeerd en loop richting centrum, hopend op een aanwijzing. Op het marktplein wordt mijn aandacht getrokken door twee prachtige glas in lood deuren. De kleuren lichten op in het zonlicht. Een politieman komt naar buiten. Ah, dit gebouw is zowel het politiebureau als het gemeentehuis. Goed begin. Ik ga naar binnen, loop twee trappen op naar het gemeentehuis, en dan sta ik bij de balie. Een vriendelijke mevrouw vraagt of ze me kan helpen.

Ik verontschuldig me voor het feit dat ik haar niet versta en zeg: ‘Perdón madame, je cherche Matavenero. Vous savez?’

Ze knikt enthousiast bij het woord ‘Matavenero’ en roept in rap Spaans haar collega’s erbij. Haar collega’s pakken het telefoonboek erbij en gaan het nummer voor me opzoeken.

‘La numéro pas marche’, probeer ik. Ik heb thuis meermalen geprobeerd te bellen en te mailen, maar ik kreeg geen gehoor en geen reactie.

‘Esperar un minuto’, zeggen de dames, ‘Wij gaan voor U bellen.’

Ik wacht geduldig. Een gezette man in pak komt binnen en wil weten wat er aan de hand is.

Als hij hoort dat ik geen woord Spaans spreek roept hij: ‘My wife is English! I call her!’

Hij belt haar en zegt vervolgens trots tegen mij: ‘She is here in five minutes. She takes the bike.’

De dames kunnen Matavenero ook niet bereiken. De vrouw van de beambte loopt na vijf minuten het kantoor binnen.

Ze schudt me de hand en zegt: ‘Hi, I’m Liz, how can I help you?’

Ik voel heel even de behoefte om te gaan huilen van opluchting. Ik ben moe na drie dagen rijden en was toch wel een beetje bezorgd. Dat valt nu allemaal van me af. Ik leg Liz de situatie uit.

Ze zegt: ‘Okee… Matavenero ligt in de bergen, maar de weg ernaartoe is niet aangegeven en alleen begaanbaar te voet of met een jeep. En niemand hier weet precies waar het is.’

Op de één of andere manier verontrust me dit niet langer. Misschien omdat ik nu omringd ben door een groepje mensen die me allemaal willen helpen. Maar goed. Wat nu?

Iemand kucht beleefd. We kijken allemaal tegelijk om. In de deuropening staat een man met lang haar, een wollen trui en opmerkelijk lichtblauwe ogen. ‘Hij gaat me erheen brengen’, flitst door me heen. Een helderziend moment.

‘Ik kan haar wel brengen’, zegt hij. Het is in het Spaans, maar ik versta het. Hij vertelt dat hij Matavenero goed kent. Hij doet er weleens wat werk en is bevriend met een paar mensen die er wonen. Ja, hij kent de route ernaartoe goed. Nu het zo droog is lukt het misschien ook wel met een gewone auto. Hij zal straks wel even naar mijn auto kijken. Maar nu moet hij terug naar zijn werk. Hij werkt in een garage. Hij kwam alleen even een formulier langs brengen. Als ik met hem mee wil naar huis kan ik daar wachten tot hij klaar is met werken, en dan brengt hij me er vanavond heen. Liz vertaalt voor me, al is dat eigenlijk niet nodig. Ik luister beleefd.

‘Okee’, zeg ik. Iedereen lacht. Het probleem is opgelost.

Liz geeft me nog snel haar telefoonnummer, just in case, en zegt: ‘You see, this is Spain! Everything always works out here! It’s fate.’

Ik neem handenschuddend afscheid terwijl mijn nieuwe gids geduldig staat te wachten.

Eenmaal buiten stel ik me voor: ‘Gracias. Sanne.’

Hij schudt me stralend de hand en zegt: ‘Olé!’

Ik kijk hem ietwat bevreemd aan.

Hij begint hartelijk te lachen en zegt: ‘Este es mi nombre! Dat is mijn naam! O, l, e zonder streepje, spreek uit Olé.’

‘Ooh’, zeg ik, en lach met hem mee.

Als we bij mijn auto zijn werpt hij er een blik op, geeft een klopje op het dak en zegt: ‘Dat gaat wel lukken vanavond.’

Dat dacht ik ook. Mijn auto is dan wel geen four wheel drive, maar het is een Hyundai met karakter. We rijden naar zijn auto en dan rijd ik achter hem aan naar zijn huis toe. Het is een minuut of tien rijden. Eenmaal daar wrikt hij de deur open van een verlaten uitziend pand met dichtgespijkerde ramen.

‘Mi casa!’, zegt hij trots.

Met een breed armgebaar nodigt hij me uit om binnen te komen. Aarzelend stap ik over de drempel en kom binnen in een grote, lege ruimte met een prachtige houten vloer, een tafel, een kast en een kleed op de grond. Sober. Langs de wanden lage planken vol met stenen in alle soorten en maten. Er zitten prachtige kristallen bij. Ik loop er naartoe en uit mijn bewondering. Hij staat er een beetje verlegen bij, wiebelend van één been op de ander, maar is duidelijk blij dat ik ze mooi vind.

‘Die heb ik in de bossen gevonden’, zegt hij.

Hij gaat naar een mand die aan het plafond hangt en haalt er een vreemd gevormd stuk hout uit.

‘Kijk!’, zegt hij en geeft het aan me.

‘Mooi’, zeg ik en draai het om in mijn handen. ‘Het is zacht.’

‘Jaa’, zegt hij, ‘en moet je ruiken!’

Ik ruik. Het ruikt zoetig en kruidig – ik heb geen idee wat voor soort hout het is.

‘Wow’, zeg ik. Ole reageert op mijn uiting van bewondering door in de kamer rond te hopsen alsof hij een vreugdedansje maakt.

‘Okee’, denk ik enigszins gealarmeerd. ‘Ole is een beetje vreemd.’

Hij snelt naar de kast en haalt daar verschillende glazen potjes uit.

‘Ruik!’, zegt hij. ‘Mijn kruiden, allemaal zelf geplukt en zelf gedroogd.’

Hij laat me kamille en tijm ruiken, en andere kruiden die ik niet ken. Ineens bedenk ik me dat ik een hele zak met gedroogde salie in de auto heb liggen, uit eigen tuin. Die heb ik van thuis meegenomen.

‘Wacht even!’, zeg ik.

Hij kijkt me nieuwsgierig aan terwijl ik een lege pot uit zijn kast pak. Ik ga naar mijn auto en vul de pot met salie. Terug in de woonkamer geef ik de volle pot aan hem.

Hij zegt: ‘Voor mij?’

Ik zeg: ‘Ja. Kadootje. Cadeau. Gift. Present. Presenta.’

Hij snapt het en danst weer de kamer rond, met de pot salie in zijn armen. Ik voel een soort plaatsvervangende schaamte voor zijn vreemde gedrag. Daar heeft hij duidelijk geen last van.

Hij laat me de rest van het huis zien. Elektriciteit komt van een accu waar hij een paar spaarlampen aan heeft gekoppeld. Er is een bovenverdieping met slaapkamer, toilet en douche en verder losse planken.

‘Kijk uit waar je loopt!’ waarschuwt Ole en springt behendig over de gaten in de vloer.

Weer beneden pakt hij een zak waxinelichtjes uit de kast en geeft die aan mij.

‘Hier, voor vanavond. Als het donker wordt en de accu leeg is.’

We lopen buiten om naar de achterkant van het huis waar de ingang is tot de benedenverdieping. Het is een prachtige ruimte zonder ramen, met een grote houtkachel die Ole voor me opstookt. Ik kijk om me heen. Het lijkt erop dat hij een verlaten huis heeft gekraakt en opgeknapt. Spanje is vol met verlaten huizen. Hele dorpen zijn verlaten tijdens de verstedelijking in de zestiger en zeventiger jaren. Matevenero was ook ooit zo’n verlaten dorp, tot een paar mensen van de Rainbow Family besloten er een commune op te richten.

‘Weet je hoe je het vuur aan houdt?’ vraagt hij.

‘Natuurlijk’, zeg ik, ‘zo’n houtkachel hebben we thuis ook.’

‘Magnifico!’, zegt hij stralend en maakt weer een dansje.

‘Aaaaah, le fuego!’, roept hij terwijl hij door de kamer host, met zijn armen in de lucht. ‘Ik ben gek op vuur! Me encanta el fuego!’

Als hij eindelijk naar zijn werk gaat zegt hij in de deuropening: ‘Mi casa es tu casa’ en is verdwenen.

Ik glimlach. Het cliché is geheel op zijn plaats. Na een paar minuten voor de kachel ga ik buiten op een boomstronk zitten. Ik kijk uit over een brede vallei van bossen en kleine dorpjes, met in de verte wit besneeuwde bergtoppen. De zon is aan het ondergaan. Er vallen brede strepen zonlicht in alle richtingen over de vallei. Alles licht op in een roodoranje gloed. Ik voel weer tranen opwellen. Volgens mij heb ik nog nooit zo’n mooie zonsondergang gezien. Ik voel me veilig. Het komt toch allemaal goed.

Ole komt pas tegen negenen thuis. Ik heb waxinelichtjes aangestoken en zit voor de kachel. Ik heb in zijn afwezigheid bedacht dat ik liever morgen naar Matavenero ga, wanneer het licht is en ik uitgerust ben.

Wanneer ik dat voorstel roept hij: ‘Jaaaaaa!’ en doet weer een rondedansje. Dat is dan geregeld.

‘Ga je mee naar de bergen?’, vraagt hij.

‘Nu?’, zeg ik.

‘Jaaaa’, zegt Ole.

‘Nee’, zeg ik. ‘Absoluut niet.’

‘Okee’, zegt Ole met een sip gezicht en gaat mijn slaapspullen bij elkaar zoeken.

Ik slaap op het kleed in de woonkamer, onder een berg wollen dekens.

De volgende ochtend hoor ik Ole al heel vroeg zo zachtjes mogelijk langs mijn bed lopen. Hij gaat naar buiten. De deur piept. ‘Doe eens iets aan die deur’ denk ik, en val weer in slaap. Als ik een paar uur later opsta vind ik hem beneden voor de open kachel. Hij heeft alleen een handdoek om zijn middel, zit met gekruiste benen op het kleed en staart in de vlammen. Hij heeft een gespierd en sterk lichaam. Zoals hij daar zit ziet hij eruit als een mediterende krijger. Ik zie dat hij een groot litteken op zijn bovenarm heeft. Hoe oud zou hij zijn? Als hij me ziet springt hij met een verheugd gezicht op. Ik ben bang dat zijn handdoek zal vallen, maar dat gebeurt niet.

Hij kleedt zich snel aan en zegt: ‘Kom, ik laat je iets zien.’

Ik loop met hem mee naar buiten. Een eindje verderop opent hij een hekje voor me en we lopen een ouderwetse waterplaats binnen: een betonnen bassin waar de plaatselijke bron in uitkomt. Ik proef het water. Het smaakt fantastisch, zoet en fris.

‘Hier haalde vroeger iedereen in het dorp water’, zegt hij. ‘De vrouwen wasten hier hun kleren, de kinderen speelden. Het water komt uit de ondergrondse riviertjes in de bergen. Het is het beste water dat er is in de wijde omtrek, rijk aan magnesium en andere mineralen. Nu ben ik de enige die het nog gebruikt. Haaaa! Ole gaat hier iedere ochtend zwemmen, in het ijskoude water! Ik ben gek op water! Amo el agua!’

Zijn enthousiasme is zo aanstekelijk en hij staat er zo grappig bij te dansen dat ik ook ga lachen. Ik begin te wennen aan zijn vreemde gedrag.

‘Het allerbelangrijkste wanneer je ergens gaat wonen is het water’, zegt hij wanneer we weer teruglopen. ‘Als het water niet goed is, is het geen goede plek. Let goed op als we straks naar Matavenero gaan. Het water daar is niet goed.’

Als we weer voor het vuur zitten vraagt hij wat ik wil drinken.

‘Koffie’, zeg ik.

Hij lacht. ‘Eerst dit’, zegt hij, en maakt een brouwsel van bijenpollen, melasse en chicorei.

Het is mierzoet, maar best lekker.

‘Koffie is niet goed voor je’, zegt hij. ‘Dit is veel beter, of brandnetelthee, of kamillethee.’

‘Ik weet het’, zeg ik. ‘Maar koffie is zo lekker.’

‘Jaaaaa’, roept hij lachend, en zet een pannetje Turkse koffie op het vuur. ‘Cafeeeee! Delicioso!’

Ik lach met hem mee. Ole maakt me vrolijk met zijn grappen en grollen, realiseer ik me.

We raken aan de praat over gezonde voeding en gezond leven.

‘Veel mensen zijn heel ongelukkig’, zegt hij met zoveel medeleven dat hij tranen in zijn ogen krijgt. ‘Geen vuur, geen goed water, geen goed eten, geen goede lucht, geen bossen, geen beweging. Ziek’, zegt hij. ‘Triste, triste.’

Hij zit roerloos, met zijn hoofd gebogen. Tranen stromen over zijn wangen. Ik vraag hem naar zijn littekens. Meteen leeft hij op. Hij veegt de tranen van zijn gezicht en kijkt me stralend aan.

‘Ik had drie jaar geleden een ongeluk’, zegt hij. ‘De wind blies mijn motor van de weg. Mijn arm en been waren ernstig beschadigd. Kijk.’

Hij stroopt een broekspijp op en laat me een indrukwekkend litteken zien dat van zijn knie naar zijn scheenbeen loopt.

‘Ik kon niet meer lopen. Ik lag in het ziekenhuis en ik wilde zo graag leven. Toen leerde ik opnieuw lopen. Ik was zo blij! Sindsdien leef ik meer. Het ongeluk was als een tweede geboorte voor me. Daarvoor nam ik het leven voor lief, maar nu niet meer. Bij iedere stap die ik zet ben ik blij dat ik leef.’

Hij staat op en danst opnieuw door de kamer. Zijn blijdschap is echt. Hij is als een kind van drie bij wie het levensgeluk gewoon over borrelt. Ineens snap ik hem beter.

We praten nog wat. Hij heeft een paar jaar in Zwitserland gewerkt en spreekt een handjevol Frans. Dat helpt. Verder communiceren we met handen, voeten en ogen. Verbazingwekkend hoe goed dat werkt.

We drinken koffie, eten wat fruit, en dan zeg ik: ‘Kom. We gaan naar Matavenero!’

Ole kijkt intens teleurgesteld.

‘Blijf hier’, zegt hij pruilend. ‘Als je weg gaat is Ole weer alleen. Waar heb je Matavenero voor nodig? Je hebt mij toch?’

‘Nee’, zeg ik. ‘Ik wil naar Matavenero. Ik ben niet voor niets dat hele eind hiernaartoe gereden.’

‘Okee’, zegt Ole. ‘Ik zeg verder niets’ – hij legt zijn vingers op zijn mond – ‘maar kijk goed om je heen als je daar bent’ – hij wijst naar zijn ogen en naar wat voor hem is.

‘Dat zal ik doen’, zeg ik tegen hem terwijl ik opsta. ‘Kom, we gaan!’

Mokkend loopt hij achter me aan.

We stappen in mijn auto. Ole wijst de weg. We rijden door Bembibre en komen daarna al snel op een bergpad vol met kuilen en stenen. Ik moet in de eerste versnelling rijden om vooruit te komen, zo steil is het. Ole zit te neuriën terwijl ik uiterst ingespannen het stuur omklem. Langzaam maar zeker vorderen we. Het uitzicht is adembenemend.

‘Kijk, daar woon ik!’ zegt Ole en hij wijst ergens naar beneden, de vallei in. ‘Zie je het?’ Ik zie niks.

Op een gegeven moment rijden we de wolken in – hoe hoog zijn we hier eigenlijk? Duizend meter, meen ik me te herinneren van de website – en blijft het mistig. Net als ik me afvraag hoe lang het nog duurt komen we bij een open terrein waar een flink aantal auto’s staat.

‘We zijn er!’, zegt Ole vrolijk. We stappen uit en lopen over het terrein naar wat de ingang van Matavenero moet zijn. Een aantal van de auto’s zijn wrakken, zie ik nu. Ze liggen op hun kant en zijn half verroest. Oude banden en vuilniszakken liggen langs de kant van het pad. Op een bord met vergane letters staat: ‘Stop! Niet verder met de auto! Het is 20 minuten lopen naar het dorp.’

We lopen verder. Het pad vernauwt zich tot een steil en glad dalend bergpad. Ole is vlak naast me en pakt mijn hand om me te helpen.

‘Goed kijken’, gebaart hij.

Na een paar minuten komen we iemand tegen die Ole kent. Een vrouw in overall. Hij omhelst haar, stelt me voor en legt uit dat ik hier een tijdje wil blijven. Ze monstert me zwijgend van onder tot boven. Ik kijk even onderzoekend terug. Ze heeft sterke handen, donkere ogen, een mooi gezicht vol lijnen en een diep litteken boven haar mond. Getekend door het leven.

Ze zegt sceptisch: ‘Ze heeft niet eens een slaapzak bij zich.’

‘Die ligt in de auto’, zeggen Ole en ik tegelijk, ik in het Engels en Ole in het Spaans.

‘Dat was Christina’, zegt Ole als we verder lopen. ‘Ze is mede-oprichtster van Matavenero. Ze heeft een zwaar leven gehad. In het begin waren ze heel idealistisch en geloofden ze echt dat ze een hippiedorp, een paradijs van love en peace konden bouwen. Maar… O nee, ik zeg niks’, valt hij zichzelf in de rede.

Het dorp wordt zichtbaar, een bonte verzameling van caravans, zelfgebouwde hutten, een paar vrij grote gebouwen en een paar yurts. Waar zijn de mensen? Het ziet er verlaten uit. We komen een paar kinderen tegen die ons volkomen negeren. Ze hebben mobieltjes bij zich die ze omhoog houden in de hoop op bereik. Ze hebben oude gezichten en zijn zo vies dat ik acuut moederlijke gevoelens krijg. Dit is geen goed teken. Een plek waar de kinderen verwaarloosd worden kan geen goede plek zijn. Even later komen we een bewoner tegen. Hij schudt Ole de hand en ziet mij volledig over het hoofd. Volgens mij is hij high. Ze staan even te praten en nemen dan afscheid. Ole kijkt verontwaardigd als we verder lopen.

‘Hij zei dat er vanochtend een eindje verderop een truck van de weg is gereden’, zegt hij hoofdschuddend, ‘maar het komt niet eens in hem op om te gaan helpen. Ni solidaridad.’

‘Moeten wij gaan helpen?’, vraag ik onwillig.

‘Nee’, zegt Ole. ‘Er is al een boer met tractor bij. En met jouw auto kun je geen truck uit een greppel trekken.’

Dan stopt hij abrupt en zegt: ‘Kijk! Het water.’

Hij wijst naar een vierkant bouwwerk waaraan een groot aantal rubber slangen bevestigd is die als de poten van een spin in alle richtingen verdwijnen. Er is één kraantje. Over saamhorigheid gesproken… dit lijkt meer op ieder voor zich.

‘Als je nou water nodig hebt, pak het dan hier’, zegt Ole. ‘Beter dan dit heb je hier niet.’

Ik proef het. Het smaakt okee, maar niet zo zoet als dat van Ole.

Een schim schiet voorbij. Ik zie een vrouw voorovergebogen tussen de bomen wegduiken.

‘Drugs’, zegt Ole mat. Ik kijk hem geschrokken aan. Hij haalt zijn schouders op in een machteloos gebaar.

‘Kom, ik laat je het centrale gebouw zien’ zegt hij en loopt verder. Ietwat verslagen loop ik achter hem aan. Wanneer we het centrale gebouw bereiken horen we een doedelzak. Dit indringende geluid is zo niet op zijn plaats hier dat ik ervan opleef en bijna tegen beter weten in een soort van nieuwe hoop krijg. Misschien is dit toch wel een goede plek. Ik wil zo graag dat dit een goede plek is. We gaan naar binnen. De ruimte is donker en rokerig. Er staan emmers half vol met etensresten op de grond. Bah. Twee mannen zitten achterin op houten banken. Een van hen speelt doedelzak. Binnen is het geluid oorverdovend. Ik zie niks en ik hoor niks.

‘Hola’, zeggen we. Geen antwoord.

We staan een beetje onwennig in de ruimte. Ik kijk om me heen. Links van me zie ik een aantal stapelbedden met kale matrassen en groezelige dekens.

‘Dat is het gastenverblijf’, zegt Ole. ‘Daar slaap je vannacht.’

‘O nee’, zeg ik beslist. ‘Nooit van mijn leven. Kom, we gaan. Ik blijf hier geen minuut langer.’

We lopen weer op het pad richting de auto. Nu moeten we klimmen. Halverwege blijf ik staan om op adem te komen. Ole wacht op me.

Ik kijk naar Ole en roep: ‘Oleeee! Ik heb het gezien!’

Tegelijkertijd barsten we in lachen uit.

‘Sanne moest en zou naar Matavenero’, zingt Ole.

‘Maar nu niet meer!’, roep ik. Weer brullen we van het lachen.

‘Ik moet eigenlijk huilen!’ roep ik.

‘Maar je lacht!’, roept Ole.

We kunnen niet meer stoppen.

‘Sanne gaat met Ole mee naar huis’, zegt Ole en maakt zijn inmiddels befaamde rondedansje. Ons gelach schalt door de bergen.

‘Ik moet plassen’, zeg ik. Ik gebruik het woord ‘pipi’, het internationale woord voor plassen. Snapt iedereen.

‘Ik ook’, zegt Ole.

We zoeken beiden een beschut plekje tussen de struiken, ieder aan onze eigen kant van het pad.

Als ik gehurkt zit te plassen bedenk ik dat ik zelfs nergens een groentetuin heb gezien.

‘Waar was eigenlijk hun groentetuin?’, vraag ik als we weer verder lopen.

‘Hun groentetuin was de supermarkt’, zegt Ole en we lachen weer.

Als we bijna bij de auto zijn zegt Ole: ‘Kom, ik laat je iets zien.’

We lopen een klein stukje het bos in en komen bij een beschutte open plek met een mooie egale bodem. Ole gaat op de grond liggen en doet alsof hij slaapt. Het is echt net een kind zoals hij daar met dichtgeknepen ogen ligt te grijnzen. Wat doet hij nu weer?

Hij gaat weer rechtop zitten, met blaadjes in zijn haar dat alle kanten opsteekt, en zegt: ‘Als ik hier overnacht slaap ik altijd op dit plekje. In Matavenero is het te vies. Dit is mijn kleine stukje aarde. Ooooh, la tierra! Ik ben gek op de aarde!’

Hij hurkt en klopt met vlakke handen liefkozend op de aarde, zoals je de hals van een paard of de rug van een hond klopt. Ik glimlach. Ole is the real deal.

Als we thuiskomen is het al donker. Ole stookt de kachel op en gaat vervolgens buiten brandnetels snijden, voor de soep. Hij pakt de brandnetels met blote handen vast en snijdt ze af met een scherp mes. Ik kijk toe.

‘Prikt dat niet?’, vraag ik.

‘Jawel’, zegt Ole, ‘een beetje.’ Hij schudt zijn handen met een pijnlijk vertrokken gezicht.

‘Mafkees’, zeg ik grinnikend.

’Qué?’, zegt Ole.

‘Laat maar’, zeg ik.

Binnen snijdt hij de brandnetels in grove stukken, doet ze in een pan water met ui, knoflook en wat zout en zet ze op de kachel. Ik kijk in Ole’s keukenkastjes. Hij heeft alle kruiden waar ik van houd: komijnzaad, kerrie, kurkuma, gember, chili, zwarte peper, dille, peterselie, rozemarijn. Hij vertelt me opgewekt dat hij zijn herstel na het ongeluk te danken heeft aan rozebottels en Ginkgo Biloba, een extract gewonnen uit een Chinese geneeskrachtige boom. Ik zag hem in het bos al verse rozebottels eten. Een vriendin uit Zwitserland stuurde hem destijds zakken vol met rozebottelpoeder. Hij laat me een zak zien en gaat verder met het showen van de rest van zijn voorraden. Alles staat netjes in potten in de kast. Vol enthousiasme vertelt hij me wat hij verder nog eet. Hij zweert bij knoflook, melasse, spirulina, bijenpollen, brandnetels, rozebottels, zoete aardappel, Johannes kruid, verbena, alfalfa, tea tree, onverwarmde olijfolie, quinoa en salie. Als hij de bergen in gaat neemt hij alleen wat spirulina, noten en gedroogd fruit mee.

‘Genoeg voor drie dagen’, zegt hij. ‘En water vind je in de beekjes. Meer heb je niet nodig.’

Ik ben verbaasd over zijn kennis en hij is verrukt over die van mij. Toch toevallig dat wij elkaar in het gemeentehuis van Bembibre ontmoetten.

‘Vanavond gaan we de bergen in’, zegt hij beslist.

‘Goed’, zeg ik.

Als we eenmaal in de auto zitten is het bijna middernacht. We rijden omhoog over een smalle en bochtige bergweg. Meerdere keren schieten links en rechts wilde zwijnen de bosjes in. Ze zijn klein, gedrongen en supersnel.

In the middle of nowhere stopt Ole de auto, knipt een zaklamp aan en zegt: ‘We zijn er.’

We lopen een paar honderd meter door een dichtbegroeid bos. Ole licht bij met de zaklamp. We komen uit op een grote open plek. Het is de rand van een klif. Het uitzicht is prachtig. We kijken uit over een donkere vallei vol met lichtjes van de kleine dorpen. Het is onbewolkt. Het licht van een bijna volle maan maakt dat we vrij goed om ons heen kunnen kijken.

‘Kijk’, zegt Ole. ‘Dit is mijn heilige plek. Lugar santo.’

Hij wijst naar een stenen formatie in het midden van de open plek. Een grote ronde steen vormt het centrum van zijn creatie. Vanaf die steen lopen vier rechte rijen van kleinere stenen in de vier windrichtingen en aan het eind van die lijnen is weer een steenformatie, iets kleiner dan die in het midden.

‘Kom’, zegt hij. We lopen naar het centrum van zijn stenen heiligdom toe.

‘Nu moet je je naam schrijven’, zegt hij. De grote steen staat vol met namen. ‘Iedereen die hier is geweest schrijft zijn naam op de steen. Wil jij het ook doen?’

‘Natuurlijk’, zeg ik, en met een scherpe steen schrijf ik ‘Sanne’ op ongeveer het enige plekje dat nog over is, terwijl Ole ronddanst en zingt: ‘Saaaanne, Saaaanne.’

Dan kijkt Ole me ernstig aan. Zijn ogen lichten op in het maanlicht. Hij zegt: ‘Ik ben een Indiaan. Yo soy un indio.’

Hij voegt de daad bij het woord door een soort van Indianenlied te improviseren en al zingend te gaan dansen. Hij danst vanaf de grote steen naar de kleine steen in het Noorden, maakt een rondje, danst terug naar de grote steen, maakt weer een rondje, buigt af naar het Oosten, etc.

‘Kom! Jij ook!’ zegt hij. Na enig tegenstribbelen voeg ik me bij zijn dans. Ik voel me onhandig en onwennig, maar na een paar rondjes gaat het al makkelijker. Zo vind ik mezelf op een nacht in november in het Léon gebergte in Spanje, dansend met een Indiaan. Na een minuut of tien stoppen we. Naast elkaar staan we naar de vallei te kijken. Ole spreidt zijn armen alsof hij de vallei wil omhelzen, hij haalt diep adem en roept: ‘Oooh, de lucht! El aire! Adem! Respirar! Ik ben gek op de lucht! Ik hou van de lucht!’

Vuur, water, aarde, lucht. De cirkel is compleet.

‘Kom’, zegt Ole. ‘Ik moet je nog iets laten zien.’

Gehoorzaam volg ik hem en een paar honderd meter dieper het bos in leidt hij me door een paar struiken en staan we ineens in een ronde, afgesloten ruimte met een opening in het dak.

‘Mijn hut’, zegt Ole trots. ‘Zelf gebouwd. Kijk, ik heb de bomen doorgebogen en aan elkaar gebonden met takken, zodat ik niets hoefde te kappen. En kijk!’ Hij pakt een handvol zijdezachte blaadjes op van de grond, legt ze in mijn handen, pakt opnieuw een handvol en gooit ze omhoog. Hij doet zijn schoenen en sokken uit en zegt: ‘Lekker zacht aan je voeten!’

Hij pakt een hangmat die zorgvuldig onder een paar takken is verstopt en laat zien hoe hij die ophangt als hij hier slaapt. Dan pakt hij een brede plank die hij zo heeft bewerkt dat hij precies tussen twee boomtakken past.

‘Mijn tafel! Ik slaap hier zo vaak mogelijk’, zegt hij. ‘In de lente, in de zomer en in de herfst. Ik heb takken tussen de boomtakken gevlochten zodat de dieren niet binnenkomen. Op dit plekje komt de regen niet binnen. Wil je hier een keer slapen met mij?’

‘Ehm….’ zeg ik. ‘Misschien. Maar nu niet.’

Op weg naar huis maakt Ole een omweg. Ik snap het niet helemaal, maar ik geloof dat hij de post moet halen in het huis van zijn moeder. Zijn moeder heeft onlangs haar heup gebroken en zit nu in een verzorgingstehuis. Ik wil liever slapen, het is minstens 2 uur ’s nachts, maar ik maak geen tegenwerpingen. We rijden naar een dorpje in de buurt en parkeren voor het huis. Het is een degelijk rijtjeshuis. Binnen, in het ouderwetse, volledig gemeubileerde huis, laat hij me de foto’s zien van zijn familie, zijn ex-vrouw, zijn zoon, zijn moeder, broers, neven en nichten. De wanden hangen er vol mee. Ik raak al snel verveeld. Ik ben moe. Moet dit echt, midden in de nacht?

‘Waarom woon je hier niet?’ vraag ik. ‘Centrale verwarming, stromend water, elektriciteit. En het staat leeg.’

Hij  kijkt me aan alsof ik iets heel doms heb gezegd.

‘Natuurlijk niet’, zegt hij. ‘Ik ben hier opgegroeid, maar het heeft geen bron, geen vuur en geen uitzicht. Dat is toch geen leven. Kom, we gaan naar huis.’

De volgende ochtend ontbijten we opnieuw zittend op het kleed voor het vuur. Ole vraagt hoe oud ik ben. ‘Zesenveertig’, zeg ik. Hij schrijft het met een stokje op een vloertegel. ‘46’. Dan schrijft hij zijn eigen leeftijd. ‘60’.

‘Wow’, zeg ik. ‘Dat is oud.’

Ole grinnikt. ‘Ik geloof het zelf ook niet’, zegt hij. ‘In werkelijkheid ben ik veel jonger.’

Hij kijkt me doordringend aan met zijn lichtblauwe ogen. Ik word er verlegen van.

‘Blijf’, zegt Ole. ‘Anders ben ik straks weer alleen. Ik laat je de bergen zien. Ik laat je de natuur zien. Ik zal Matavenero voor je zijn. We kunnen nog zoveel dingen doen samen.’

‘Je bent inderdaad de Matavenero die ik zocht’, zeg ik. ‘Ik was op zoek naar een plek waar mensen in harmonie met de natuur leven, en jij bent zowel de plek als de persoon. Maar ik wil verder. Ik vertrek na het ontbijt.’

Ole buigt zwijgend zijn hoofd. Als een kind dat zijn zin niet krijgt, maar wel een heel lief kind.

Ik ben kortaf als ik mijn spullen inpak. Ik wil niet dat Ole tijd gaat rekken. Ik wil weg.

Pas bij de auto omhels ik hem en zeg: ‘Gracias Ole, gracias, gracias, gracias.’

Met tranen in mijn ogen stap ik in de auto en rijd weg.

Hij zwaait tot ik uit zicht ben.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s