Je kunt het fysieke lichaam vergelijken met een huis, of met een ruimtepak. Barry Long, een spiritueel leraar, had het altijd over the human spacesuit. Het lichaam is een vehikel, een materieel object waarin wij, ziel of bewustzijn, in deze verdichte werkelijkheid kunnen bestaan. Dat wil zeggen: zijn, doen, ervaren, leren, ontwikkelen, afwikkelen, lijden, genieten, etc. Nu is het gekke dat het lichaam in wezen een zelfstandig functionerend ding is. Het is geprogrammeerd om zich in deze werkelijkheid te handhaven, zonder dat je erbij hoeft na te denken. Het heeft instinct, dat zich uit in impulsen zoals het zoeken naar voedsel en veiligheid, voortplantingsdrang en de behoefte aan slaap, nabijheid en warmte. Vrijwel alle lichaamsprocessen gaan vanzelf: de spijsvertering, celvernieuwing, ademhaling, hartslag, bevruchting, zwangerschap, groei, afbraak, ontgifting, hormonale balans en nog veel meer. Daar hoef je niks voor te doen en daar is geen bewustzijn voor nodig.
De persoonlijkheid is in zekere zin ook ook iets dat vanzelf gaat. Het lichaam is vanaf de geboorte geprogrammeerd om te overleven. De persoonlijkheid ontwikkelt zich in de eerste vier tot 28 jaar (daarover zijn de meningen verdeeld) en functioneert daarna 99 procent van de tijd op de automatische piloot. Dat maakt ons mensen vrij voorspelbaar, maar dankzij de ziel tegelijkertijd uniek en vol verrassingen.
Dit is allemaal geniaal ontworpen. Het lichaam en de persoonlijkheid zorgen er samen voor dat de ziel ofwel het bewustzijn – laten we die twee voor het gemak even samenvoegen – de mogelijkheid heeft om in het hier en nu aanwezig te zijn. Dat is het ultieme doel van deze drie-eenheid. Het lichaam en de persoonlijkheid hebben geen ziel nodig om te functioneren. De ziel heeft wel een lichaam en persoonlijkheid nodig om in deze werkelijkheid te kunnen functioneren, maar kan ervoor kiezen om daar afstand van te doen. Het lichaam en de persoonlijkheid hebben in deze niks te kiezen. Dat zijn een soort automatische functionerende entiteiten – een soort robots, de een organisch, de ander mentaal. Alleen de ziel heeft vrije wil.
De vraag is nu: wat gebeurt er als de ziel er genoeg van heeft? Het kan namelijk gebeuren, al is het geen dagelijkse kost, dat de ziel vertrekt, nog voordat het lichaam sterft. Dit kan gebeuren onder invloed van trauma dat zo hevig is dat het onverdraaglijk is voor de ziel. De ziel is in dit gedachten-experiment het enige medium met vrije wil, dus met keuzevrijheid, en kan zelfstandig besluiten om terug te gaan naar waar ze vandaan komt. De ziel heeft de vrijheid om zich uit het lichaam terug te trekken en de persoonlijkheid te laten voor wat het is op het moment dat de situatie te heftig, te afschuwelijk of te extreem is, bijvoorbeeld bij ernstig misbruik, vergiftiging, chronische klachten die normaal functioneren onmogelijk maken, pijn, trauma, verkrachting, ongelukken, ernstig lichamelijk letsel, dat soort zaken.
Dat is mogelijk niet helemaal de bedoeling, want het hele idee van de lichaam/persoonlijkheid/ziel drie-eenheid is om de ziel de kans te geven om het leven hier te ervaren. Je weet wel, God die zichzelf ervaart via het lichaam. Als de ziel verdwijnt, dan is het doel van de persoonlijkheid en het lichaam weg. Dan is er eigenlijk geen reden meer voor het lichaam en de persoonlijkheid om te bestaan. Echter, de persoonlijkheid verdwijnt niet op het moment dat de ziel verdwijnt en het lichaam valt ook niet dood neer. Nee, het zijn immers autonome eenheden die volgens automatische programma’s functioneren. Nergens in het ontwerp staat dat ze zichzelf moeten uitschakelen op het moment dat de ziel vertrekt. Met die mogelijkheid is blijkbaar geen rekening gehouden, maar toch gebeurt het regelmatig. Hoe vaak, dat weet niemand. Sommige mensen beweren dat tot wel 80 procent van de mensheid intussen onbezield is, maar dat vind ik wel een hele sinistere beschouwing. Zelf denk ik eerder dat het andersom is: 20 procent onbezield, 80 procent bezield.
Kortom, als de ziel vertrekt, dan blijven de persoonlijkheid en de ziel gewoon doorgaan. Net als dat een radio door blijft spelen, ook al verlaat de luisteraar de kamer. Net als dat als je eenmaal je auto gestart hebt en op de snelweg rijdt, de auto gewoon doorrijdt, ook als jij uit het raam springt – ja, tot hij ergens tegenaan knalt, meestal. Er ontstaat dus iets heel raars als de ziel vertrokken is. Het lichaam en de persoonlijkheid blijven gewoon hun ding doen, maar vanaf dat moment stopt de groei en de vrije wil. Daardoor gebeurt er niks nieuws meer, wordt er niks meer bijgeleerd, wordt alles repetitief en ontbreekt ieder spoor van zingeving of gedrevenheid.
Zo’n zielloos iemand heeft iets heel raars over zich. Hij heeft een onnatuurlijke, enigszins gekunstelde manier van doen, zonder dat je precies de vinger kunt leggen op wat dan precies zo raar is. Als je bij zo iemand in de buurt komt, gaan vaak je nekharen overeind staan, want jouw ziel registreert feilloos dat daar niemand meer in zit. Er is niemand thuis. Ja, hij heeft zijn typische maniertjes en vaste gewoontes, waar hij zich meer dan voorheen aan vastklampt omdat het hem houvast geeft, maar meer is er niet. Deze lege huls, dit lichaam, aangestuurd door de persoonlijkheid, heeft eigenlijk geen functie meer, maar wil wel in leven blijven, want zo is hij nou eenmaal ontworpen. Overleven en pijn vermijden is het basisprogramma van het lichaam en de persoonlijkheid. Die twee kunnen oppervlakkig gezien best normaal overkomen, al lijkt het net alsof de persoon in kwestie op de automatische piloot functioneert – wat ook zo is. De persoonlijkheid is de automatische piloot.
Voor buitenstaanders is het verschil vaak niet zo groot, maar intimi voelen het meteen als de ziel van een dierbare is vertrokken. Iets is anders. Iets klopt er niet. Het is onmogelijk om echt contact te maken met zo iemand. Je kunt ermee praten, maar ergens voel je dat hij niet meer zelfstandig nadenkt, maar automatisch antwoord geeft, al naar gelang zijn persoonlijkheid hem ingeeft. Het is correct, maar het is tegelijkertijd nietszeggend. Hij reageert louter op trefwoorden, op geconditioneerde triggers. “Mooi weer vandaag.” “Ja, maar morgen is wel regen voorspeld.” “Hoe gaat het?” “Ik mag niet klagen.” Er valt niks aan te merken op wat hij zegt, maar het voelt onecht. Er is geen echte betrokkenheid of interesse voelbaar. De ogen zijn leeg, de stem is vlak.
Als je zo iemand hoort praten over zijn verleden, dan is dat op een bijna griezelige onverschillige toon. “Oh ja, toen had ik een ongeluk en heb ik drie weken in coma gelegen. Ach ja, kan gebeuren.” “Waar die littekens vandaan komen? Oh, mijn vader mishandelde me als kind.” Dit soort vreselijke dingen worden zo casual medegedeeld dat het net lijkt alsof de persoon in kwestie er niet bij was. En dat klopt – hij was er ook niet bij! Degene die het meemaakte, degene die het bewust ervoer: de ziel, is allang vertrokken.
Een typisch kenmerk van een lichaam dat niet langer door de ziel bewoond is, is gebrek aan empathie, want empathie hoort bij de ziel. Zo iemand is niet langer betrokken, noch bij zijn eigen leven, noch bij dat van anderen. Zulke mensen tonen wel emotie – ze lachen, huilen, zijn geïrriteerd, al naar gelang de omstandigheden en hoe die specifieke persoonlijkheid geprogrammeerd is, maar ergens voel je dat het niet echt is. Ze zijn ook niet in staat tot liefhebben, want daar heb je toch echt een ziel voor nodig. Ze zijn ook niet in staat tot groei, want groei ontstaat alleen als je het onbekende tegemoet durft te treden en dat risico nemen het lichaam en de persoonlijkheid niet – zij zijn immers louter geprogrammeerd om te overleven en pijn te vermijden. Maar wat heb je aan een voertuig zonder bestuurder, een boot zonder kapitein, een huis zonder bewoner? Niks.
Het lijkt erop dat de tendens van deze tijd is dat er steeds meer ontzielde lichamen rondlopen. Ik weet niet of dit waar is, ik hoop het niet, maar het zou wel verklaren waarom in deze tijd veel mensen steeds voorspelbaarder, volgzamer en onverschilliger lijken te worden, waarom mensen zich alles maar laten aanleunen, van coronamaatregelen tot belastingaanslagen tot politiek geneuzel, zonder zich ergens over op te winden of ergens naar te streven of te verlangen. Als je vraagt: “Wat vind je van de oorlog in Gaza?” halen ze hun schouders op. “Boeie.” Als je vraagt: “Wat is je grootste droom?” zeggen ze: “Whatever.” Het lijkt alsof steeds meer mensen niet langer verlangen naar vrijheid, naar echte verbinding, naar zingeving, een rechtvaardige wereld, authenticiteit, creativiteit, de verwezenlijking van hun dromen, avontuur, groei en verandering – al die zaken die voor de ziel zo belangrijk zijn. Zou dit komen omdat bij veel mensen de ziel allang vertrokken is? Ik weet het niet. Rudolf Steiner had het er al over in zijn tijd en het is een bekend fenomeen in paranormale kringen, maar dat betekent nog niet dat het een voldongen feit is … of? Hoe dan ook, waar ik meer en meer van overtuigd ben geraakt, is dat de verbinding tussen lichaam, ziel en persoonlijkheid veel minder solide is dan ons is aangeleerd te geloven.
Sanne Burger
sanneburger.com







0 reacties